Fairali

Paramaribo

ONTWIKKELING VAN PARAMARIBO EN DE BOUWKUNST IN SURINAME (in een notendop)

In de koloniale tijd werd er gebouwd in hout waarbij de fundering tot vloerhoogte werd opgetrokken in Bakstenen. Deze bakstenen kwamen in eerste instantie uit Nederland en dienden als ballast in de vrachtschepen die leeg in Suriname aankwamen om gevuld weer te vertrekken.Deze bakstenen kwamen dus goed van pas als stevige basis. In principe was het de bedoeling van Gouverneur van Sommelsdijck (17e eeuw) om de gehele binnenstad van Paramaribo in bakstenen woningen te bouwen. Er werden steenbakkerijen opgezet aan de, nu nog zo bekende, Steenbakkerijstraat en Steenbakkersgracht (nu de Dr. Sophie Redmondstraat). Echter vanwege de hogere kosten voor het bouwen in bakstenen en het niet aanwezig zijn van genoeg en goede metselaars (ook na meerdere malen verzoek van de Gouverneur aan Nederland) is in 2e instantie toch gekozen voor de vele hout soorten die Suriname kent. Misschien ook door het steeds aanwezig zijn van vele goede Timmerlieden (uit de houten vrachtschepen) is het (door hen) in de hand gewerkt dat men overging tot het bouwen in hout, zodat zij tijdens hun wachttijden genoeg werk en dus extra verdiensten hadden. Meerdere malen is de binnenstad zwaar getroffen door branden die vrij veel verwoesten (vaak aangestoken door Marrons op hun plantage om eigenaren van toen terug te pakken voor de aan hen toegedane leed en om zo meer chaos te doen ontstaan en ook te komen aan munitie, voedsel e.d.)

Met dit als achtergrond is, ook door Gouverneur van Sommelsdijck, besloten dat er geen brandbare dakmaterialen (pina bladeren en houten shingels) meer mochten worden toegepast. Zo begon men met leiendaken en klei (dak) pannen, etc. De dakhellingen waren hierdoor vrij stijl. Pas na de introductie van zinken golfplaten in Suriname (ca. 1870) begonnen dakhellingen flauwer te worden tot vrij plat. De Hendrikschool (Gravenstraat) was de trendzetter voor een in Suriname geheel nieuwe en monumentale stijl. Boven de gevels was er namelijk geen kap te zien maar een zwaar geprofileerde kroonlijst, waarachter men een platdak had geconstrueerd met de nieuwe zinkplaten als dakbedekkingsmateriaal.
Huizen werden verder gebouwd zonder een balkon (conform Nederland), maar ivm de hitte is tbv de ventilatie gekozen om balkons te construeren aan de voorgevel. Vrijwel alle balkons die we in de binnenstad zien zijn achteraf gebouwd (na 1850). Dat is nog steeds het stadsbeeld in de binnenstad.
In de jaren daarna kwamen steeds meer moderne invloeden vanuit Amerika overwaaien, wat wilde zeggen, een meer gevarieerde en andere aanpak van de bouw in beton stenen. Lokale architecten hebben daar verder leuk mee gespeeld om oud en nieuw goed en mooi te combineren.
Heden ten dagen zien we een zeer gevarieerde manier van bouwen. Toepassingen van veel glaswerk, PVC, gipsplaten, meer keus in vloer-, wand- en dakafwerking en raamsystemen (eind jaren
90 begin 2000) en bouwen in staal, zorgt voor een mooi en gevarieerd pakket, waar architecten en opdrachtgevers mee kunnen spelen. Echter zijn alle materialen (op hout na) import producten. Sommige zaken worden er wel geassembleerd of verder verwerkt. In Suriname gebeurt het bouwen zelf dus nog steeds grotendeels met de hand. Dit ambachtelijke werk, in voornamelijk de gehele afwerking terug te vinden, maakt dat het bouwen nog als kunst gezien kan worden. We zijn daarom trots om deel te mogen nemen aan deze vorm van Bouwkunst in Suriname en deze te proberen verder uit te werken en uit te dragen. Een mooie uitdaging voor de echte Bouwkundigen, zoals wij, om hier voor u wat moois van te maken.
Maar hoe is dit allemaal ontstaan . . . .
vanaf het Gouvernementsplein
De Waterkant is een van de belangrijkste straten van Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. De straat loopt van het Onafhankelijkheidsplein (het voormalige Gouvernementsplein, later Oranjeplein) evenwijdig aan het water op de linkeroever van de Surinamerivier tot voorbij de Centrale Markt en eindigt op het kruispunt waar twee andere belangrijke verkeersadres van de stad beginnen: de Saramaccastraat in het verlengde van de Waterkant verder zuidelijk, en de Dr Sophie Redmondstraat (vroeger: Knuffelsgracht) in westelijke richting. Zowel in de koloniale als in de moderne tijd heeft de Waterkant een belangrijke rol gespeeld in het leven van Paramaribo. Er liggen belangrijke gebouwen aan de straat als het Hoekhuis (op de hoek met het Onafhankelijkheidsplein), grote koloniale woningen, de Centrale Bank van Suriname, de Waag en de Lutherse Kerk. Ter hoogte van de Centrale Markt is de rivier niet meer te zien, omdat de markthallen pal aan de rivier liggen. Het gedeelte tussen het Onafhankelijkheidsplein en de Keizerstraat is nogal altijd een van de best bewaard gebleven eenheden van koloniale architectuur in de stad. De overzijde van de straat is met kleine kiosken, eetkraampjes, banken en bomen een populaire bestemming voor flaneerders en zondagstoeristen.
Aan de Waterkant liggen drie belangrijke steigers: de Marinetrap aan het Onafhankelijkheidsplein (voor officiële gouvernementsboten en vroeger ook aanlegplaats van de schepen met immigranten), de SMS-steiger ter hoogte van de Waag (hier vertrekken pakboten naar de districten) en de veersteiger (waar de veerboot naar Meerzorg vertrekt; met aan de overzijde van de weg de centrale busstandplaats van Paramaribo).
Het bijzondere aan de oude binnenstad van Paramaribo is de eenvoud en uniformiteit van de sterk symmetrische bouwstijl. Die zijn het gevolg van het bouwen in het lokale product hout in een relatief geïsoleerde omgeving. Het is geen architectuur van vermaarde bouwmeesters, maar een van ambachtslieden. Die hadden geen andere spraakmakende steden in de buurt waar zij nieuwe ideeën konden opdoen. Er zijn in Paramaribo dan ook nauwelijks grootse bouwmonumenten. Het unieke, kenmerkende van de stad is de eenheid die juist door de eenvoudige gebouwen mede vorm wordt gegeven.
Fort Zeelandia

Na de ontdekking van Suriname in 1499 door Alonso de Ojeda waren het Franse kolonisten die zich rond 1640 als eerste vestigden aan de Surinamerivier. Zij bouwden er een eenvoudige houten versterking op de linkeroever. Ruim 20 jaar later hadden de Britten de kolonie in handen en werd het fort verbeterd tot Fort Willoughby, vernoemd naar de gouverneur van Barbados. In 1667 veroverden de Zeeuwen onder Abraham Crijnssen het fort, dat zij omdoopten tot fort Zeelandia. De stad die zich achter het fort ontwikkelde nam al snel de functie als hoofdstad over van het bovenstrooms gelegen Thorarica. Er moeten al vóór de komst van de Europeanen indianen gewoond hebben, die ook de strategische positie van de plek hadden begrepen, getuige de naam Parmurbo of Parmirbo, waar Paramaribo van afgeleid is. De naam die de Zeeuwen de stad gaven, Nieuw Middelburg, sloeg nooit aan.
De eerste stadsdelenVanaf het fort werd Paramaribo westwaarts uitgebouwd op basis van het schelpritsenpatroon dat globaal van oost naar west loopt (Gravenstraat/Arronstraat, Lim A Postraat, Heerenstraat, Keizerstraat) en als goede funderingsbodem fungeerde. Tussen het fort en de stad lag een groot exercitieterrein dat later het Oranjeplein/Onafhankelijkheidsplein zou worden. Omdat de stad alleen van de rivierzijde aan te vallen was, vond men het niet noodzakelijk deze te ommuren en van vestinggrachten te voorzien. Toch zijn de eerste straten onverwacht smal, zoals men die eerder in een nauwe vestingstad aan zou treffen: de Heerenstraat, Watermolenstraat, Kromme Elleboogstraat, Oranjestraat/Mr.dr. J.C. de Mirandastraat. Maar ook oude prenten van de Gravenstraat tonen aan dat die in eerste instantie niet zo breed was uitgelegd als tegenwoordig zichtbaar is.
In het begin van de 18e eeuw werden de stadsgrenzen gevormd door de Gravenstraat, de Klipstenenstraat en de Knuffelsgracht (zie het groene deel op de oude kaart hiernaast, die overigens op z'n kop staat). De stad bestond toen uit 50 huizen, de slavenhuizen op de erven niet meegerekend. Het plan bestond uit grotendeels evenwijdige straten, alleen de Kromme Elleboogstraat en de Hofstraat vormen daarop een uitzondering.
Stadsuitbreidingen
Rond 1740 werd de stad vergroot tot aan de Zwartenhovenbrugstraat en Steenbakkersgracht/Dr. Sophie Redmondstraat. Deze uitbreiding volgde niet meer de richting van de schelpritsen, maar de oever van de rivier, met de Maagdenstraat en de Domineestraat parallel aan de Waterkant. Zo wordt een driehoek gevormd die tegen het anders zo strakke rechthoekige stratenplan ligt, dat heden ten dage nog gevolgd wordt. De straten zijn breder en de kavels zijn duidelijk groter in dit gedeelte van de stad. De kreken die voor de afwatering werden gegraven, lopen alle parallel aan de schelpritsen. Tegenwoordig zijn ze deels gedempt: de Sommelsdijksekreek, Viottekreek, Picornikreek-Knuffelsgracht, Steenbakkersgracht, Drambrandersgracht, Limesgracht.
Tien jaar later werden de gebieden rond de Weidestraat en Burenstraat gebouwd. Een verdere uitleg vond plaats rond 1772 toen de Wanicastraat en Drambrandersgracht de grenzen gingen vormen van een stad die toen 1200 huizen groot was. Die uitbreiding ging snel; in 1789 wordt al een aantal van 1776 huizen genoemd. Toch was dat niet genoeg, kort daarop (1791) werd de eerste buitenwijk, Combé, gebouwd aan de noordzijde van de stad.
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 dienden de ex-slaven nog 10 jaren op de plantages door te werken. Maar toen die voorbij waren kwam er een stroom op gang van de plantages naar de stad, hetgeen een verdere stadsuitbreiding noodzakelijk maakte. In het midden van de 19e eeuw werd de stad begrensd door Combé, de Sommelsdijksekreek, de Van Idsingastraat, de Drambrandersgracht, de Wanicastraat en de Domineekreek.
Na 1945, toen de stad zon 13.000 woningen telde, werden de plantages Beekhuizen en Zorg en Hoop aan de stad toegevoegd en breidde de stad zich ook in noordelijke richting uit. Anno 2006 vloeit de stad als een inktvlek uit over een uitgestrekt gebied.
Branden.
Twee grote branden zijn er de oorzaak van dat in de oudere gedeelten niet noodzakelijkerwijs de oudste gebouwen te vinden zijn. In 1821 woedde er een brand op het Oranjeplein en de Waterkant, in 1832 werd het westelijk deel van de Waterkant in de as gelegd. De gebouwen in deze herbouwde gedeelten zijn dus van na die tijd.
Naar aanleiding van de branden werden maatregelen uitgevaardigd om vooral de dakbedekking van de huizen van onbrandbaar materiaal te maken: leien en gebakken tiggels in plaats van bladeren (voor de slavenhuizen) en houten shingles.
Unesco Werelderfgoed
In juni 2002 werd de oude binnenstad van Paramaribo op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst.
Over de Unesco Werelderfgoedlijst bestaan nogal wat misverstanden. Plaatsing op de lijst betekent niet dat de Unesco geld uittrekt voor het project. Integendeel, een land verplicht zich het project te onderhouden en een armlastig land legt zich eigenlijk een behoorlijke last op de schouders.
Wat de historische binnenstad van Paramaribo betreft: het is geen aaneengesloten afgebakend gebied dat op de lijst staat, maar een lappendeken van stukken met belangrijke gebouwen.

Houten gebouwen
Mede door de snelle uitbreidingen is de stad vooral in hout gebouwd. Baksteen was niet alleen duurder, de bouw daarin ging ook langzamer en waarschijnlijk konden de steenbakkerijen het werk niet aan. Die moesten naast bakstenen ook pannen en tiggels vervaardigen voor de dakbedekking. De kennis van het bouwen in hout kwam van timmerlieden aan boord van de schepen die op Suriname voeren en van migranten van de Evangelische Broedergemeente EBG (Hernhutters) die zich in Suriname vestigden.
Op het eerste gezicht is er een grote variëteit aan houten huizen in de binnenstad. Maar bij nadere bestudering zijn er vaste waarden en maar enkele standaardprofielen te onderscheiden.
De Surinaamse houten huizen zijn gebaseerd op een overzichtelijk ingedeeld rechthoekig stramien. Bakstenen stoepen leiden naar een symmetrische gevel van witte, horizontaal aangebrachte planken, de hoge daken met dakhuis zijn naar de straat zijn toegekeerd. De deuren, luiken en louvres zijn van een rustig donkergroen.
De meeste huizen hebben een bakstenen fundering met daarop een rondlopende muur van donker(rood) geschilderde baksteen van enkele treden hoog of korte neuten. Daarop rusten balken van de begane grond, ondersteund door poeren in het midden. Een ringbalk vormt de basis voor een houten skelet waarop witte gevelplanken van een voet breed horizontaal zijn aangebracht. De onderste plank was vroeger altijd geprofileerd; de vakman kon op die manier zijn eigen handtekening aan het gebouw geven.
De gebouwen zijn in de meeste gevallen met de nok parallel aan de straat in de breedte gepositioneerd. De hoge daken dragen bij tot een uitstraling van waardigheid. De balken lopen van voor- naar achtergevel. De verdeling van de balken zijn mede oorzaak van een gelijkmatig ritme van de traveeën waarin het huis verdeeld is. De gebruikte symmetrie versterkt de harmonieuze sfeer die van de gebouwen uitgaat.
Die symmetrie gaat meestal uit van een dubbel openslaande hoofddeur in het midden van de gevel, met gelijke traveeën aan weerszijden daarvan, waarin ramen met luiken. Bij verdiepingshuizen wordt de symmetrie herhaald, alleen zijn de traveeën zichtbaar door schuiframen, louvres of houten shutters.
De dakbedekking die in de eerste eeuwen werd gebruikt vereisten een steile helling: pinablad, houten singels, leien, dakpannen en diverse soorten tiggels. Pas met de intrede van het gegalvaniseerde zinken dak rond 1870 konden plattere dakconstructies worden gebruikt. Dat leidde tot een andere bouw: een rechthoekige voorgevel waarachter een dak schuin naar achteren afloopt. De indruk was echter dat van een plat dak. Tegenwoordig zijn de meeste dakbedekkingen vervangen door gegalvaniseerde golfplaat.
Bakstenen tiggels leien loden tiggels koperen tiggelplaten zinkplaten plat ogend dak (zink)
Kenmerkend zijn de dakkamers, waarvan de nok op dezelfde hoogte ligt als de hoofdnok van het gebouw. De gevels van de dakkamers liggen in het vlak van de hoofdgevel en hebben vrijwel altijd twee ramen, met daarboven soms een halfrond raam.
Zuilenporticos,
een invloed uit de zuidoostelijke staten van Noord-Amerika, en balkons zijn andere kenmerken van de Surinaamse bouwstijl, zij het dat de eerste balkons pas in de het midden van de 19e eeuw verschenen. Voor 1850 zijn op prenten alleen kleine balkons ter grootte van een raam of deur te zien. Grotere balkons werden waarschijnlijk als teken van welvaart aangebouwd. De pilaren en stijlen steunden op bakstenen voetstukken die soms onderdeel uit gingen maken van de oude stoep, maar even vaak los daarvan stonden. Soms werden de balkons voorzien van ramen en luiken, zo ontstonden dan galerijen.
Op smalle percelen zijn de huizen meestal met de topgevel naar de straatkant gebouwd. Maar de diepe zijgevels zijn, net als bij de huizen die in de breedte aan de straat staan, symmetrisch en hebben ook dakkapellen als waren ze voorgevels van de brede percelen.
Details
In de details kon de ambachtsman zijn handtekening kwijt. In de bakstenen stoepen, de stenen basementen, de panelendeuren en deuromlijstingen, de consoles van de geprofileerde balkonstijlen, de balustraden van de balkons. Minder vaak komen kolommen met kapitelen voor, boogjes tussen de stijlen en bewerkte timpanen. Een akroterion komt wel voor, maar is echt een uitzondering. Het was vooral in de tijd dat de huizen met statusverhogende balkons werden uitgebreid, dat de versieringen hun intrede deden.
Hieronder ziet u een kleine selectie van details van de gebouwen.

Veranderingen
Veel woongebouwen zijn in de loop van de 20e eeuw van functie veranderd. Beneden kwamen er winkels of kantoren. Daarvoor werd de gevel van de benedenverdieping gewijzigd en de stoep verwijderd. Voor de woonlagen op de hogere verdiepingen werd een buitentrap aangebracht aan de zijgevel, voorzien van een afdak; het zijn niet de meest fraaie toevoegingen aan de strengheid en strakheid van de huizen.
De Waterkant in 1955, gezien
Bouwen in baksteen
Paramaribo telt niet veel gebouwen die volledig in baksteen zijn uitgevoerd. De gebouwen die er zijn dragen niet bij aan het specifieke karakter van de stad van wit hout. Ze zijn overduidelijk door Europese bouwmeesters ontworpen.
Er zijn slechts drie gebouwen in een echt Europese baksteenstijl opgetrokken: Fort Zeelandia (met het gebouw 1790), Plein 3 en 4: het ministerie van Financiën en het Hof van Justitie. Hier wordt de schone, ongeverfde baksteen (uit Nederland meegevoerd als ballast voor de schepen) afgewisseld met natuursteen. De overige bakstenen gebouwen zijn gebouwd in lokaal vervaardigde baksteen en zijn geverfd of bepleisterd.
Europese baksteen: Onafhankelijkheidsplein 3 en 4 (achtergevels)
Ook civiele bouwwerken zoals sluizen werden in baksteen uitgevoerd. Het vakmanschap van de lokale metselaars is daarin terug te zien, maar ook in grafmonumenten.
Renovatie
Formuleer uw specifieke vraag en mail deze naar ons toe zodat we dit voor u kunnen uitwerken.
Indien u het adres en telefoonnummer meestuurt, plannen we een opname in.
Bij Renovatie wensen wij namelijk direct een afspraak in te plannen om naar het betreffende bouwwerk op te nemen,
waarbij we een gerichter advies kunnen geven, alsook daarna het advies uitwerken en een offerte uitbrengen.
Hierna kan de uitvoering worden ingepland.
Geef graag aan wat u wenst (wat moet er gebeuren) en welke (luxe) wensen u erbij wenst.